calendrier

 

Miriam Van hee

Biographie

Miriam Van hee a fait ses débuts en littérature avec des poèmes sur le mal du pays, la mélancolie et la solitude. À son grand déplaisir, elle fut qualifiée de « néoromantique » par les critiques – le courant dominant dans la poésie flamande à cette époque. Sa poésie n'est toutefois pas une fuite de la réalité et elle n'hésite pas à aborder des sujets réalistes. Son style est d'ailleurs proche du langage parlé et paraît, au contraire, plutôt mesuré. De manière hésitante, la poète tente d'accepter le monde en se raccrochant aux choses du quotidien. Le lecteur s'imagine dans un monde sans danger, mais cette illusion est souvent balayée de manière brutale. En 1998, son sixième recueil de poèmes, Achter de bergen (1996, Behind the Mountains) a reçu le prix de la Culture flamande pour la poésie. La même année, ses poèmes ont été rassemblés dans Le lien entre les jours (2000,  trad. d'Etienne Reunis, Éd. Le Castor Astral). Ce livre a conduit le Magazine Littéraire a la nommer « découverte littéraire de ces dernières années ». Son dernier recueil, De bramenpluk (Blackberry Picking, 2002) comprend des poèmes à propos du voyage, des paysages, des animaux, de l'art et de l'amour. Miriam Van hee est également slaviste et a traduit des œuvres d'auteurs comme Anna Achmatova, Osip Mandelstam et Joseph Brodski.

Top

Texte d'Auteur

Brief aan Michal Witkowski

 

Beste Michal,

Als ik aankom op het vliegveld van Krakau, is het al donker. Dat zal me de volgende dagen blijven verwonderen, dat de nacht hier vroeg valt, tegen half vijf is het volslagen duister. Ik logeer hier de hele maand november, niet in de mooie renaissance villa Decius, maar in het gebouw dat in vroeger tijden voor het huispersoneel was bestemd. Niettemin een mooi gerestaureerde kamer waarvan de ramen op het park uitgeven. Wat opvalt is de stilte. Verder het romantische uitzicht. Overal hoge bomen met hun verkleurde gebladerte, kastanjes, beuken, esdoorns. Het park wordt bewoond door roeken. Je ziet ze overal in de afgevallen bladeren scharrelen en ze halen er donkere ronde vruchten vanonder. Het lijken noten, maar er staan geen notelaars. Deze omgeving doet dienst als decor voor trouwpartijen. Op een dag lag er bij mijn thuiskomst een bruid op het grasperkje voor de ingang, haar hoofd in een onnatuurlijke houding achterwaarts naar de camera gedraaid. Haar rug was ontbloot. Na de fotosessie zie ik dat de bruidegom op krukken loopt. Een andere keer spelen vijf jongens (ik schat ze zo'n jaar of tien) urenlang in de afgevallen bladeren, ze gooien ze op een hoop en verstoppen zich er in, ik hoor in mijn kamer hun gejoel.

Jerzy Koch, de man (professor Nederlands en Afrikaans in Poznan) die mijn gedichten in het Pools vertaalt, zegt me, wacht maar, als het één dag stevig waait of vriest, zijn al de bladeren in één keer weg. Hij raadt me aan de begraafplaatsen te bezoeken bij schemering, daar branden nu overal gele en rode lantarentjes en het staat er vol bloemen. En ja, dat is wel een verschil met ons land, het katholicisme, de devotie van de Polen gaat diep, ze knielen langdurig neer voor het altaar of voor afbeeldingen van de Moeder Gods ze raken beelden aan met hun handen. Er zijn veel jonge mensen onder de kerkgangers, en van kinderen wordt in de kerk heel wat getolereerd,  zo zie ik een jonge moeder haar kinderen uit de biechtstoel sleuren, waar ze met de gordijnen aan het spelen waren en op den duur met elkaar slaags geraakten, het baat echter niet en de vader wordt bruusk uit zijn gebed losgerukt: hij moet zijn gezag laten gelden.

En je kunt er niet naast kijken, overal standbeelden van Paus Johannes Paulus II, die hier op de universiteit zijn studentenjaren doorbracht. De jonge Duitse vertaalster, die de kamer naast mij bewoont, vertelt dat ze al drie jaar in Polen woont en zich er thuis voelt. Ze vindt de Poolse jongeren wel wat ouderwets, er lijkt geen ruimte voor een ondergronds, progressief leven. Studenten willen hun studie afmaken, een baan vinden, trouwen en dan een huis kopen (is dat bij ons in deze tijd anders, vraag ik me af). Een kwestie als abortus bijvoorbeeld ligt hier heel moeilijk, zegt ze.

Op het slotfeest van het Conradfestival, waarop ik uitgenodigd ben, praat ik met de adjunct-directeur van het Institut français in Krakau, behalve over het op dit moment nog steeds ongeregeerde België, over de rijke Poolse literatuur van dit ogenblik. Voorts verneem ik van hem dat Michel Houellebecq, die, naast David Grossman eregast op het festival is, de Polen hetzelfde gelapt heeft als eerder de Belgen, hij is niet komen opdagen. 

Ik word getroffen door de realiteit van de globalisering. Er is een tram die van de ene Carrefour naar de andere rijdt. De Fransen lijken het hier goed voor mekaar te krijgen, ook Auchan is hier vertegenwoordigd en in de voorstad zijn er vestigingen van Citroën en Peugeot. En zie ik daar niet Juliette Binoche op reuzenpanelen reclame maken voor het Crédit Agricole?

Vandaag ben ik in de helft van mijn verblijf, het is zondag en ijzig koud. Er is geen beweging in het park, als ik op de bus wacht zie ik alleen af en toe iemand een winkel binnenstappen waarop Alkohole staat, die winkels zijn elke dag open, ook op 1 en 11 november, als verder alleen de kerken open zijn. Eergisteren, op de tram naar Nowa Huta (de arbeiderswijk die begin jaren 50 aan Krakau werd ‘toegevoegd'), zag ik een jongeman met moeite naar de uitgang strompelen. Hij stapte af, viel ter plaatse neer en bleef in foetushouding liggen. De passagiers kwamen zwijgend aan het raam kijken. De conducteur wachtte even en reed dan verder.

Omdat ik beter werk als ik elke dag ook een ommetje maak, besluit ik om het Wyspianski-museum te bezoeken. Er is in deze stad zoveel te zien dat ik elke dag van de maand iets interessants zou kunnen bekijken. Wyspianski is een symbolistische, veelzijdige kunstenaar die in Krakau woonde en werkte. Hij maakte tekeningen, pastels maar ook ontwierp hij decors voor theaterstukken die hij zelf schreef, en hij ontwierp meubelen, interieurs, en zelfs waagde hij zich aan gedichten. Zijn thema's zijn de Poolse tradities (in zijn tijd maakte Krakau deel uit van het Oostenrijks Hongaarse rijk), vrijheid en de romantiek. En in het museum vind ik een link tussen deze auteur en een beroemde Gentenaar, Maeterlinck. Wyspianski ontwierp namelijk in 1899 een affiche voor de voorstelling van Maeterlincks toneelstuk: Interieur. Ik neem me voor om het te lezen.

Mij vallen de tekeningen die hij van zijn gezin maakte op: zijn dochtertje Helenka, nadat ze ontwaakt is, haar haren in de war, haar ogen in het niets starend, maar vooral een kleine tekening van twee broertjes aan tafel, boven een bord soep, waarin werkeloos de lepel ligt. Geen van beiden wil eten, ze hebben hun ellebogen op de tafel, ze kijkend verveeld maar ook met iets van angst voor straf in hun blik. Wat een tijdloos tafereel!

Miriam Van Hee

Top

Bookmark and Share Retour