calendrier

 

Fleur Bourgonje

Biographie

L'écrivaine néerlandaise Fleur Bourgonje (1946) est l'auteure d'une œuvre comprenant des romans, de la poésie, un livret d'opéra, une pièce radiophonique et des nouvelles. En 1985, elle a fait ses débuts avec le livre autobiographique Spoorloos (pour lequel elle obtient le Gouden Ezelsoor, un prix pour le premier roman le plus vendu). Ce livre traite des dictatures militaires en Amérique du Sud et de la résistance à celles-ci. Depuis le début des années 1970, Fleur Bourgonje a vécu alternativement au Chili (pendant la présidence de Salvator Allende), en Argentine et au Venezuela. En tant que journaliste, elle a réalisé des reportages et a écrit des articles pour des journaux néerlandais et espagnols. En 1980, elle a publié La luna se desangra por el otro costado, une étude sur la pauvreté et la prostitution en Amérique du Sud. Fleur Bourgonje a également traduit l'œuvre de l'auteur Sergio Ramírez.

À la fin des années 1980, elle est retournée vivre aux Pays-Bas, où elle a écrit sur des sujets politiques et culturels, pour un certain nombre de grands journaux et magazines du pays. Après avoir publié quelques poèmes et nouvelles, Fleur Bourgonje a connu le grand succès en 1993 avec De bedrieglijke warmte van vuur. Suite à cela, plusieurs romans et recueils de poèmes, comme par exemple De dijk waarlangs we lagen (1999) et Nevelpaarden (2004), ont été édités. En 2009, elle a publié un diptyque littéraire constitué d'un recueil de poèmes Hartenbeest et du roman Verdwijnpunt. Les thèmes de la perte, de l'impuissance et du temps qui passe constituent le fil rouge des deux œuvres. Fleur Bourgonje a également écrit le livret Flora Tristan (1990) pour le compositeur néerlandais Louis Andriessen, et une pièce radiophonique Het hoofd is vruchtbaarder dan de schoot (1992) sur la poète mexicaine Inés de la Cruz. En 1988 elle a obtenu le prix Betje Wolff pour son engagement social. Lors de sa résidence, Fleur Bourgonje a travaillé sur un recueil de poèmes et un roman. 

Top

Texte d'Auteur

OVER DE GRENS

Ik ben in 1946 geboren in een dorp in de Gelderse Vallei. Mijn vader was er hoefsmid, mijn moeder had een winkel in ijzerwaren, kachels en huishoudelijke artikelen. We woonden aan de hoofdstraat, de enige straat die ons met de buitenwereld-van-enige-betekenis verbond: tandarts, ziekenhuis, instellingen voor vermaak, middelbare scholen. De bus van de ‘Veluwsche Auto Dienst VAD' bracht ons twee kanten uit, naar het oosten en naar het westen, maar we verplaatsten ons vrijwel altijd per fiets. Wat zich achter de weilanden, bossen en korenvelden verborgen hield, daar mochten we onze hele jeugd naar raden. We vormden een gesloten gemeenschap: iedereen kende iedereen. Geheimen maakten geen schijn van kans tenzij iemand erin slaagde of er het karakter naar had om binnen de geslotenheid van het dorp een familie- of persoonlijke ommuring op te trekken om daarachter met ongeoorloofde daden, een moeizaam huwelijk of simpelweg met het eigen zielenleven schuil te kunnen gaan.

Wat voor de een veiligheid betekende, zette de ander aan tot zucht naar avontuur; waar de een gelukkig was met de afrasteringen was de ander in gedachten voortdurend bezig grenzen over te gaan. In mijn herinnering heb ik me tegen het vaak verstikkende isolement verweerd door van kindsbeen af korte verhalen - verhaaltjes - te schrijven waarin werd weggegaan, losgerukt of terzijde geduwd, in ieder geval afscheid genomen. Het vertrek had, besef ik nu, bijna een halve eeuw later, nooit een ander doel dan het weggaan of uitbreken zelf en er ging nooit iemand mee, het waren eenzame avonturen. Ik zag mezelf - de hoofdpersoon van de verhaaltjes - als een eenling, een soort ontdekkingsreiziger die op een willekeurige trein of boot stapte om in een willekeurig land van verwondering naar verwondering, van opwinding naar opwinding te trekken. Het maken van een vastomlijnd plan of reisschema en het tellen van geld kwam niet in me op. In mijn voorstellingsvermogen zat het avontuur in het vreemde, het toeval, het durven afgaan op intuïtie, het plotselinge neerstrijken en weer opbreken zoals de nomaden van Mongolië of, dichterbij huis, de schaapherders van de heivelden op de Veluwe. Die vorm van vrijheid en lichtheid van leven trekt me tot op de dag van vandaag aan, hoewel ik door ervaring wijzer ben geworden en ook de schaduwzijde van die leefstijl ken.

Mijn schrijvende Ik wijkt, wat het verlangen naar weidsheid en avontuur betreft, niet af van dat andere Ik. Mijn verdieping in Amsterdam vervult dezelfde rol als destijds mijn ouderlijk huis naast de smederij: zij biedt rust en een zekere vorm van bescherming zodat ik er kan werken. Maar voor de verwondering en de fysieke en mentale onrust die voorafgaan aan het daadwerkelijke schrijven moet ik mijn koffer pakken en een grens over gaan. Want het al te vertrouwde, het overbekende en daarom al te rustige brengt mijn geest niet in beweging. Het leidt tot peinzen, dat wel, maar het zijn de ontregeling, de onzekerheid, de twijfel en soms ook een vage angst die meestal de aanloop vormen tot een nieuwe roman of een verhaal, en die vind ik bij uitstek in een andere cultuur met een ander tijdsbesef en opmerkelijker moraal, in een land met een extremer klimaat of een onherbergzamer landschap. Het is alsof ik de min of meer positieve ontbering nodig heb om mijn zintuigen en verbeeldingskracht op scherp te krijgen. In de witte verlatenheid van de Sahara deed ik bontgekleurde indrukken op, tijdens een stroomuitval in een berghut in de Pyreneeën zag ik in het holst van de gitzwarte nacht verbanden die me bij daglicht waren ontgaan, op een grimmig eiland niet ver van de Zuidpool meende ik, wonend tussen vissers die in de vroege ochtend hun netten leeghaalden, mijn hand te hebben gelegd op een lang geleden gestorven geliefde. Je zou kunnen zeggen dat ik, gewapend met enkel pen en papier, uit de veiligheid van mijn woonplek wegga om ver weg ideeën, indrukken en herinneringen te gaan halen. Door de spanningen die het reizen en het verblijf in vreemde huizen en herbergen met zich meebrengen, wordt de drempel naar het onderbewuste lager en lager. De ontregeling zet de geest en de fantasie op scherp en duwt dromen, nachtmerries zelfs, vanuit een onpeilbare diepte het bewustzijn in. Dat is waar ik al die jaren van schrijven op uit ben geweest, op de ogenschijnlijke, soms ondraaglijke chaos die mijn hoofd en mijn pen tot ordenen en bezweren dwingt met als resultaat een roman, een verhaal, een gedichtencyclus.

Maar wat deed ik dan in hemelsnaam zo vlak over de grens, in Vlaanderen? Wat zocht ik dan in april in Villa Hellebosch in Vollezele en in juni in het appartement van Het Beschrijf aan de Oude Graanmarkt te Brussel? Geen ontregeling. Geen nachtmerries. Geen bijna ondraaglijke chaos. Die eerste fase had ik elders al doorstaan: de gedichten waren geschreven, de nieuwe roman had al een structuur. Wat ik in België hoopte te vinden waren de afzondering en de rust voor een heel andere fase: die van de scherpe blik, de laatste correcties, het invoegen of verwijderen van leestekens en witregels, het herzien van de verhaallijn. Kortom, de kalmte die nodig is voor het oproepen van concentratie, het ‘wegvanhuiszijn' waarin de twijfel en het kritisch vermogen gedijen - terwijl de eenzaamheid op afstand blijft. Want eenzaam moet een schrijver in Vollezele niet zijn. In Brussel ook niet. En als dat gevaar toch over de Breugheliaanse heuvels of door de Dansaertstraat de werkkamer binnendrijft, dan zal hij of zij zich, net als waar ter wereld ook, schrap moeten zetten, naar buiten moeten gaan het bospad op of een kinderkopjessteeg in, een zwaar paard moeten gaan berijden of de Vlaamse Primitieven bewonderen - en als dat niets uithaalt zijn er bier en oesters, wijn en wafels en niet te vergeten stripverhalen; dan is er op beide plekken haast onontkoombaar de taalgrens die de aandacht afleidt van al te somber peinzen en broeden, want je moet als Nederlandse buitenstaander alle zeilen bijzetten om de juiste taal op de juiste plaats te spreken en in die juiste taal niet het voor de hand liggende op te merken over de landspolitiek maar iets wat tegelijkertijd en in soortgelijke bewoordingen ook de politiek van het eigen land in twijfel trekt.

In Vollezele, waar ik de laatste versie van mijn dichtbundel DE LICHTSTRAAT in het stemmige licht van Villa Hellebosch onder de loep heb gelegd, werd ik op een stralende zondagmiddag door de eigenaresse/kunstenares Alexandra Cool meegenomen naar het speciaal voor ons ontgrendelde Paardenmuseum. Als dochter van een hoefsmid ben ik bang voor paarden maar evengoed heel geïnteresseerd in alles wat met de dieren te maken heeft; een museum is dan de aangewezen plaats. Na afloop zouden we iets hebben kunnen drinken in vrijwel het enige café van het dorp, de plek waar de duivenmelkers van de streek elkaar ontmoeten, maar op zondag is in Vollezele alles gesloten.
In Brussel, waar ik een aantal hoofdstukken van de roman-in-wording HET WONDER aan elkaar koppelde in een nieuwe volgorde, schuilde ik op de Kunstberg in het Bozar, de Nationale Bibliotheek en het Instrumentenmuseum om daarna een tartine met verse kaas, bieslook en radijsjes te eten in La mort subite; alleen al om die naam wilde ik het daar zo lang mogelijk uithouden, het noodweer hielp me daarbij.
Dit is maar een voorbeeld van het elkaar aanvullende van mijn twee Vlaams-Belgische verblijven, ik zou er meer kunnen noemen. Wat ze gemeen hadden was de gastvrijheid en de hulpvaardigheid van de gastvrouwen/mannen - en de rust. Hoewel, op mijn allerlaatste Brusselse dag (zaterdag 18 juni), het geschrevene en overdachte zat al in de koffer, kwam een Mercedes in volle vaart de stoep op gereden, alles rammend wat in de weg stond, ook twee wandelende bejaarde dames. In een fractie van een seconde was het gedaan met de rust. Groot kabaal ontstond. Sirenes huilden tegen elkaar in. Enkele ternauwernood aan het onheil ontsnapten schreeuwden het uit. En ik, ik sloot me zintuiglijk af voor zoveel nabij geweld en probeerde me uit alle macht te concentreren op de eerste strofe van het indrukwekkende gedicht ‘Plato doden' van Chantal Maillard, dat ik net tevoren in boekhandel Passa Porta had gekocht: Een man wordt verpletterd./ Op dit ogenblik./ Nu. ...Wat telt is het nu,/ het eigenste ogenblik/ en de gekalkte muur die afbladdert/ en de scène met confetti bezaait.

www.fleurbourgonje.nl

 

Top
Passa Porta
30.05.11 > 20.06.11
Villa Hellebosch
28.03.11 > 11.04.11

Bookmark and Share Retour