calendrier

 

Lucette ter Borg

Biographie

Lucette ter Borg (née en 1962) est critique d'art et a travaillé pour plusieurs journaux (NRC Handelsblad, de Volkskrant et Vrij Nederland). Son roman Het cadeau uit Berlijn a remporté le Prix des débutants 2005 aux Pays-Bas et a été traduit entre-temps en allemand. Des éditions en anglais et en français sont en préparation. Son séjour de travail en Flandre s'inscrit dans le cadre d'un échange entre Het beschrijf et l'association néerlandaise Fonds voor de Letteren.

Top

Texte d'Auteur

Pajottentransport november 2007

Een dofrode Saab 93 uit 1991. De lak afgeblust als het patina op een altaarstuk van Jan van Eyck. Overgenomen van mijn Nederlandse uitgever voor 1100 euro, inclusief nieuwe accu, winterbanden en een APK-goedkeuring die nog een slank jaar duurt. Als ik mijn autosleutels in het contactslot naast mijn knieën steek, stijgt er een diepe grom op vanonder de motorkap. Ik start een vliegtuig en ben de piloot.
Ik rijd naar Vlaanderen, naar een landhuis ergens tussen Brussel en Gent, een kilometer of vijf van de taalgrens. Pajottenland, land van uien en aardbeien. Vollezele, dorp van paarden. Hellebosch, schrijversverblijf in een beukenbos. Ik houd van bossen. Ik ben groot gebracht met de geur van aarde aan mijn handen, op mijn knieën, in mijn haren, en al woon ik meer dan de helft van mijn leven in Amsterdam, als ik de geur van mos, rottend blad, paddestoelen en varens opsnuif, ben ik thuis.
Ik haal een vrachtwagen in en de opspattende regen verblindt mijn zicht. Ik rem, want voor me wordt geremd. Mijn rijlaarzen en rijbroek op de achterbank schuiven naar voren, samen met de koffers, mijn labtop, mijn vioolkist, een doos met boeken, kleren, gettoblaster en muziek. Ik zal kijken of ik ergens een paard kan huren in Vollezele, maar ik heb geen haast en nu moet ik door de bochten van een gemeen klaverblad kijken richting Antwerpen.
Anne zal me ontvangen. Dat staat op de route-beschrijving die ik op de passagiersstoel naast me heb gelegd. Anne is sinds jaar en dag huishoudster op Hellebosch. Ze kookt, doet de boodschappen, snijdt berijpte prei en uien uit de moestuin, stoft, zuigt en dweilt. Het enige dat ik de komende maand aan praktische zaken doe, is mezelf wassen en aankleden. Anne is zoveel jonger dan ik, maar doet veel ouder. Ze heeft een dochter die al groot is en voor vroedvrouw ergens ver van Vollezele leert. Anne rijdt vijf dagen per week in een zilverkleurige knoert van een BMW van en naar Hellebosch. Ze woont in een dorpje halfweg Ninove, met een naam die klinkt als katjes in de knop: Denderwindeke.
Ik ben een vrouw van de wereld. Net als de meeste van mijn vriendinnen en van de aardige moeders die ik ken van school, leef ik gescheiden, samen met mijn zoontje. Nog niet zo heel lang geleden maakte ik bij toeval een giro-enveloppe van mijn man open en trof daarin jarenlange afrekeningen van hotels, restaurants, zelfs van een heel extra huurhuis. Mijn twee dove honden zijn altijd dol van geluk als ze me zien binnenkomen, mijn zoontje is de liefste op de wereld, mijn dak lekt, maar ik schrijf en voorzie zo in het levensonderhoud van mij en mijn zoontje. Eigenlijk kan het leven er alleen maar op vooruit gaan.
Voorbij de grens bij Hazeldonk voer ik het tempo op tot honderdveertig kilometer per uur en stem de radio af op de Vlaamse nieuwszender. Onder het motto ‘Wat moeten we met die ballen?' meldt een verslaggever dat er acties zijn uitgebroken tegen de te vroege entree van de Kerstman in de supermarkten. Een politiek verslaggever voorspelt dat formateur Yves Leterme nu wel heel binnenkort met een voorstel bij koning Albert zal komen. Want het duurt allemaal wel heel erg lang.
De een is te vroeg, de ander te laat. Wat maakt het over een half jaar nog uit? En is dan nog te begrijpen wat zich aan schimmigs heeft afgespeeld?
Ik ga me in Hellebosch wijden aan een nieuwe roman over twee musicerende zussen. Speciaal voor dat boek leer ik vioolspelen. Want je moet toch weten hoe dat voelt: een zuivere noot spelen op een snaar met niet meer dan een stok en een bosje paardenhaar in je hand? Ik ga proberen alles van daarvoor te vergeten. Ik ben benieuwd.

Ik heb twee voeten, maat 38. 's Ochtends om acht uur stap ik uit mijn bed in de slaapkamer die verzegeld is tegen geluiden van buiten en optrekkende kou. Tapijten op de vloer, tegen de muur, luiken voor de ramen, daarvoor dikke fluwelen gordijnen. Ik trek mijn monsterlijk paarse hardloopschoenen aan, loop de deur uit en begin. De beukenlaan af, op goed geluk naar rechts de Heystraat op. Aan het eind van de Heystraat sla ik opnieuw naar rechts, richting bruisend Genk.
De zon gloeit koudrood boven de kale, golvende akkers. Ik adem zo diep als ik ver kan zien. Ik hoor een hond blaffen in een boerderij langs de weg, en dan verderop, nog één, en nog één. Ik laat me leiden door waar het geluid vandaan komt, als stepping stones: dát weggetje nog verder heuvelopwaarts, door dát dorpje, langs die akker met die stompen van mais, naar díe koeienstal in de verte. De lucht is zo koud dat het pijn doet in mijn longen. Een moeder in peignoir met drie kinderen staat voor een armetierig rijtje huizen in een weiland te wachten op de schoolbus, die ik verderop zal tegenkomen. Ik zwaai naar de verbaasde blikken en de open monden van de kinderen, terwijl het snot me uit de neus loopt, mijn adem tekortschiet, ik steken in mijn milt heb en er een stem door mijn hoofd dreunt: ‘Je kúnt opgeven.' Ik wil niet opgeven.

Er is een Volkswagen Golf voor de schrijvende gasten, maar ik heb mijn Saab. Hij slaapt tegen de haag onder een dekbed van beukenbladeren. De herfst is eindelijk ingezet en alle beukenbomen van Hellebosch verliezen in koor hun blad. Er valt niet tegen op te harken, en daarom klimt de eigenaresse van het landgoed, Alexandra, af en toe op de tractor. Die tractor brult net zo wild, als dat de haren van Alexandra wild krullen. Ze staan als een aureool om haar hoofd. Soms steekt Alexandra haar haar op, dan lijkt het alsof er zilveren rookpluimen rond haar hoofd kringelen. Alexandra is beeldhouwer, maar maakt ook mooie melancholieke foto's van verschijnselen en bouwwerken in de natuur. Een kruising tussen de land art van Richard Long en de videofilms van Stan Douglas.
Alexandra laat me haar werk zien in het atelier naast de hondenhokken buiten en in een zijkamer van het grote huis. Alexandra kruipt maar langzaam uit haar schulp. ‘Heb je daar wel tijd voor? Als je geen tijd meer hebt, moet je het zeggen.' Twijfelend. ‘Wat vind je ervan? Ik wil graag aan mijn eigen projecten werken, maar het werk in en om het huis...' Alexandra maakt haar zin niet af. Ik weet wat ze bedoelt: er is nog zoveel te harken.

Ik trek de deur van de stal open. Daar hangen twee geplukte fazanten in bleek, glibberig roze vel uit te druipen aan een stok. Op de grond een plasje bloed. Vanochtend vroeg maakten ze nog hun stomme koekelende geluid in de wilgenbosjes bij de beek onderaan de heuvel. Nu zijn ze geschoten door de jagers, die de vogels bij de keukendeur afgeven aan Anne, die ze vervolgens plukt. ‘Nee,' zegt Anne verbaasd, ‘ik ben niet vies van veren en opwippend vel. Ik pluk mijn leven lang al.'
De fazanten doen er niet toe. In de stal staan fietsen. Deze mag je gebruiken, heeft Alexandra me gezegd. De fiets die ik kies heeft heel veel versnellingen, maar het merendeel daarvan werkt niet. Er hangt geen slot aan. In Amsterdam heb ik twee sloten, maar dan nog wordt mijn fiets om het half jaar gejat. Af en toe vind ik zelf een fiets in de bosjes of op straat - het slot opengebroken, het wiel verbogen, zadel eraf gesloopt, of niet. Soms vind ik een gloednieuwe. Die fietsen sleep ik mee naar huis, sommige lap ik op. Ze staan in de wacht voor als het weer eens zo ver is en de boom voor mijn huis weer leeg. Dat is de gerechtvaardigde kringloop van de Amsterdamse fiets.
Maar wie steelt er een fiets in het Pajottenland? Iedereen hier doet alles met de auto. Naar de bakker anderhalve kilometer verderop, naar een tante in het dorp, zelfs de schoolgaande pubers worden met de auto naar de bushalte of het station gebracht. Want ja, die heuvels hè, vertelt een oude man op straat: ‘Soms moet je er helemaal voor van je fiets stappen!'
Ik fiets tot voorbij Oetingen, zes kilometer verderop. Heen zo hard heuvel af dat de tranen uit mijn ogen lopen. Ik moet een rekening van gasten betalen in het hotel. ‘Waar verblijft u zelf?' vraagt de hoteleigenaresse die er ook nog een paardenpension bij drijft, een tam varken heeft, een vrolijke hond, geiten, en een hok vol duiven.
‘In villa Hellebosch.'
‘Hellebosch?' zegt ze. Ze rolt haar tong om de naam heen, alsof de naam naar een snoepje smaakt waarvan ze de smaak allang was vergeten. Dan klaart haar gezicht op: ‘Hellebosch! Is dat niet dat huis waar een paar jaar geleden die oude eigenaar is vermoord?'
Ik zeg: ‘Goh nee, niet dat ik weet. Het is een schrijversverblijf.'
‘Jaha,' ze knikt. ‘Ze vonden hem op een ochtend, dood. Dat is wat de mensen zeggen.'
Terug naar huis zwoeg ik de heuvel op in de laagste versnelling die werkt. Zou deze kennis mijn inspiratie voor het schrijven wegnemen? Zou ik nog net zo vrijmoedig als voorheen de deur van het slot laten 's nachts? Of 's avonds even rustig in de donkere huiskamer gaan zitten, tussen het antiek en de schilderijen aan de muur? Zwetend kom ik aan op Hellebosch. Ik zet de fiets terug in de schuur, loop mijn appartement binnen en voel me voortgestuwd door één grote wensgedachte: laptop aan, stoel aanschuiven en schrijven. Ik schrijf in vier weken tijd een halve roman.

King staat in de stal naast de fietsen en de fazanten. King is een kogelronde, zwarte dartmoor-pony. King is klein maar stoer, en hij is de baas over de veel grotere Felix. King is ook de baas over de meeste ruiters die hij op zijn rug krijgt. Beslist King tijdens een rondrit dat het welletjes is geweest, dan ís het ook welletjes geweest en draait hij gewoon om. Beslist King tijdens een les in de manege dat hij er écht geen zin in heeft, dan kromt hij zijn rug tot gemene bokkensprongen en torpedeert de ruiter. En na een paar keer succes, zegt de baas: ‘Daar valt niet op te rijden. Die moet maar weg.'
En zo staat King nu weer op Hellebosch, waar King overdag in het weiland en 's nachts op stal een godenleven geniet. King is eigenlijk de pony van de dochter van de zus van Alexandra. Maar zij wonen aan de andere kant van Brussel, en komen maar af en toe in het weekeinde over. En wie wil er dan op zo'n monster dat ook nog af en toe bijt?
‘Hij vreet zich de godganse dag de buik rond. Maar nu gaan we hem verkopen,' zegt Alexandra.
King is een mooie pony, en hij is sterk. Dus ik mag er best mee aan de slag. Graag zelfs. King gaat op dieet en hij moet meer beweging krijgen Bij de eerste buitenrit die ik met King maak, begrijp ik weer wat dat inhoudt: een pony. Na een minuut of tien draait King kordaat om op de Heystraat en alleen met heel veel doorzettingsvermogen krijg ik hem weer met zijn neus de andere kant op. Dit herhaalt zich in draf en ook in galop. Aan die laatste gang heeft King een hartgrondige hekel, want van dat tempo gaat hij namelijk hijgen en zweten - en dat is niet Kings bedoeling. Daarom schiet hij ineens van het pad af, naar links of naar rechts een maisveld in, een sloot half over, hij geeft een bok in de hoop dat ik val. Na drie van dit soort ritten heeft King door dat het dit keer anders is en dat er een soort klem op zijn rug zit. En hij trekt bij. Hij hinnikt hij als hij me ziet aankomen, hij is blij dat hij geborsteld wordt, en zijn streken - ach dat zijn gewoon pony-streken. Ik moet er eigenlijk heel erg om lachen. Om de dag maken we een tocht van één, anderhalf uur. Dwars door de velden naar de dorpen in de omgeving. Kings vacht zit dik in het zweet als we terugkeren naar stal en hij opgewekt over de oprijlaan door het beukenbos kleppert. Om de andere dag gaat King aan de longeerlijn en stappen we daarna een kwartier aan een lange teugel uit in het bos.
Op de vierde dag staat er een jongetje van elf jaar voor mijn neus. Hij is aan komen lopen terwijl ik de stallen uitmestte en staat met zijn arm om Kings hals geslagen. Hij is het jongetje van het huis een eindje verderop en hij zegt dat hij met King praat. ‘In de zomer als hij op de wei staat, vraag ik hem: "King, mag ik op uw rug?" Als hij zo doet,' - het jongetje knikt met zijn hoofd - ‘dan mag het.'
‘Kun je rijden?' vraag ik. ‘Wíl je rijden?'
Het jongetje knikt opnieuw. ‘Ik kan heel goed rijden,' zegt hij. ‘Maar ik ben wel een beetje bang. Want vorige zomer ben ik van King afgevallen. Toen brak ik mijn sleutelbeen.'
‘Ik help je,' zeg ik en leid de pony aan de longeerlijn naar het buitenbakje. ‘Kom maar, klim er maar op.'
‘Ik moet eerst mijn moeder vragen,' zegt de jongen.
‘Je moeder?' vraag ik. ‘Dan moet je snel wezen, want het wordt al best gauw donker.' ‘Mijn moeder is op haar werk,' zegt hij.
‘Maar dan is ze dus niet thuis?'
‘Nee, ze moet heel veel werken. Altijd. Haar vriend is thuis.'
‘En waar is je vader?'
‘Mijn vader is dood. Vorig jaar. Ik was jarig en aan het eind van de middag kreeg hij pijn aan zijn hart. Hij moest naar het ziekenhuis en kwam niet meer terug.'
‘Wat naar voor je,' zeg ik. ‘Je zult hem wel heel erg missen.'
‘Ja,' zegt de jongen. ‘Weet je, ik word later Indiaan. Vorige zomer was ik ook Indiaan. Toen klom ik elke dag in de wei op Kings rug. Zonder zadel. Ik deed alles, galopperen, draven.'
‘Als je Indiaan bent, kun je dus goed rijden,' zeg ik en steek mijn hand uit. ‘Kom dan, laat maar zien.'
‘Maar ik kan het al,' zegt de jongen nog een keer.
‘Nou, klim dan op King,' zeg ik. ‘Als het goed gaat, gaan we morgen samen een rit buiten maken.'
De jongen klimt in het zadel en King zet zich in beweging. Heel rustig in stap. Soms versnelt hij even. Dan klampt de jongen zich vast aan de nek van de pony. ‘Ik ben bang!' roept hij. ‘Niet zo hard.'
‘We gaan niet hard,' zeg ik. ‘Ontspan je maar. Er kan niks gebeuren. King is veel te lui om hard te lopen. Ga maar rustig rechtop zitten. Laat de teugels los en houd je vast aan zijn manen, als je dat fijner vindt.'
‘Ik moet laarzen aantrekken,' zegt de jongen. Hij springt van King af, rent weg en komt even later terug met twee laarzen, maat 42 aan zijn voeten.
‘Die passen niet,' zeg ik.
‘Welles.'
De jongen klimt opnieuw op Kings rug. We stappen twee houterige rondjes.
‘Goed zo,' zeg ik. ‘Zie je dat het niet eng is? En King vindt het ook leuk. Hij heeft zijn oren naar voren. Zullen we een drafje wagen? Indianen willen altijd draven.'
‘Nee,' zegt de jongen. ‘Niet doen. Dat gaat te hard.' Hij buigt naar voren en klemt zijn armen om Kings hals. Zijn laarzen zakken half af.
‘Zo val je eraf hoor,' zeg ik. ‘Je hebt zo helemaal geen grip in het zadel.'
‘Ik moet naar mijn tante,' zegt het jongetje.
‘Je tante?'
‘Ja, daar ga ik met mijn moeder op bezoek.'
‘Maar je moeder is niet thuis.'
‘Wel,' zegt de jongen. ‘Nu wel.' Hij grijpt de teugels en trekt zo hard dat Kings mond wordt opengesperd. King staat abrupt stil.
‘Voorzichtig,' zeg ik. ‘Zo doe je hem pijn.'
Maar de jongen luistert niet. Hij is al van King afgesprongen en strompelt rennend weg, op zijn belachelijk grote laarzen. Hij kijkt geen één keer om.
‘Jeetje King,' zeg ik, terwijl ik de pony in zijn manen kriebel. ‘Is dat je Indianenvriend?'

King staat samen op stal met Felix. Felix is een Arabische ruin van vijf jaar oud. Felix kan niet zonder King. Als ik met King het bos inrijd, horen we nog tot heel ver weg Felix wanhopig hinniken. King vertrekt geen spier. Het zal hem een zorg zijn wat Felix denkt of doet.
Felix is nog een onervaren lummel onder het zadel, en ook daarom zegt zijn baas: ‘Neem Felix maar mee, zoveel je wil.'
Ik schrijf iedere dag in een strakke regelmaat van 9 uur 's ochtends tot 3 uur 's middags. Dan roepen de paarden en trek ik er met ze op uit tot een uur of 5. Daarna nog een uur werken tot aan het diner. En na het avondeten nog een uur of twee schrijven.
Felix is zo rank als een varenblad. Als ik in het zadel klim en we bij de stallen staan, is hij nog redelijk rustig. Maar op de vreemde weg kan hij rare sprongen maken, want hij schrikt van veel dingen: kleine keffende hondjes, een uitgegraven kuil, een trailer geparkeerd in het weiland, een vrachtwagen die langs komt denderen, een donkere plas water.
Met Felix kan ik veel verder dan met King het Pajottenland verkennen, want Felix heeft geen vet op zijn ribben en als hij galoppeert gaat het echt Hard, kilometers lang, de wind blaast tranen in mijn ogen. We rijden tot Herne in het zuiden, Gooik in het oosten en het stiltegebied rond de Kongoberg in het westen. Overal waar ik langsrijd, spreken mensen me aan: over heggen, vanaf tractors, vanaf het stoepje in hun voortuinen. ‘Zo,' zeggen ze, ‘rijde gij dat peerdje van Paul? Da's goed. Die moet nog verkeersmak worden.'
Ze wijzen op mooie onverharde paden: langs het oude tramspoor richting Oetingen, dwars door een akker naar een pad dat ineens onzichtbaar opduikt, en ook naar de Kongoberg. Voorbij de Kongoberg zie ik een enorme stier in de diepte oprijzen. De stier staat op een staak. De stier is een kunstwerk, gemaakt door een kleine oude man met een vechtlust voor tien stieren.
Uit een oude loods komt hij aangelopen. Koenraad de kunstenaar, hij is bejaard en beresterk. Hij woont met een gezin van een ander in deze oude abdijhoeve. Hij klopt Felix op z'n hals. ‘Kom, dan zetten we dit mènneke efkens bij mijn peerd op stal en dan krijgt u - wat wilt u? - thee, wijn, een bakske koffie?'
Binnen laat Koenraad stapels tekeningen zien. Illustraties van sprookjes, sprookjesachtige illustraties bij een eigen verhaal over een foute vader. Beneden in de gewelven van het klooster zijn tentoonstellingsruimtes. Daar staan Koenraads beelden: expressionistische, donker en klam, figuren met verwrongen bewegingen, hoekige uitstulpingen. De meest abstracte zijn de mooiste, want zij bieden een horizon die verder gaat dan deze kelderruimte.
Buiten in de loods is zijn atelier. Hier heeft Koenraad zijn Ontvoering van Europa in elkaar gelast. Vervolgens heeft hij het bronzen beeld met een vorkheftruc naar buiten gereden, en daar het tonnen wegende gevaarte op palen gezet. Dat was gevaarlijk, ja en als de boel was omgesodemieterd, was hij er nu niet meer geweest. Maar daar kun je toch geen rekening mee houden? Binnenkort reist het beeld naar Brussel en wordt het opgesteld bij het Europees Parlement. Kan het daar omwaaien.
Hij heeft het vaker gehoord. Koenraad is klein, maar hij leeft groot en weids. Hij heeft een reusachtig paard en maakt reusachtige beelden. Een aantal jaar geleden, vertelt hij, heeft zijn vrouw hem na jarenlang overspel van haar kant aan de dijk gezet. Ze heeft alles gepakt - zijn hoeve, zijn werk, zijn bezittingen. Koenraad maakt een wegwerpend gebaar: ‘Ze mocht alles hebben van me. Het maakt me niet uit. Ik was 65 jaar oud, een leeftijd dat andere mensen zeggen: "Nou ga ik eens op mijn lauweren rusten." Niet ik dus. Ik had niets meer.'
Koenraad neemt wijdbeens een slok van zijn wijn. ‘En nu? Ik woon in bij lieve mensen. Ik heb hun kinderen voor de open haard ter wereld gebracht. Dit is mijn familie. En als ik dood ga, leg mij dan maar in de allergoedkoopste kist die je kunt vinden op niets meer dan een bosje stro.'
‘Ik kom nog eens terug graag,' zeg ik. ‘Ik wil graag uw tekeningen nauwgezetter bekijken. Er zitten prachtige tussen. Maar nu moet ik terug naar Felix. Hij wacht.' Koenraad helpt me te paard. ‘Als u zin heeft,' biedt hij aan, ‘mag u een keer op mijn peerd rijden. Die kan alles. Dressuur, springen. Da's heel anders dan zo'n jong ding.' ‘Ja dat is heel anders,' zeg ik en drijf Felix aan. Ik wuif.
Felix heeft er zin in. Hij slaat zijn benen uit, draaft met wijdopen neusgaten, zijn oren staan zo ver mogelijk naar voren gespitst. Op de verharde weg naar Vollezele schrikt hij van een kluit snaterende eenden in de berm. Felix springt weg en maakt een schuiver waarbij hij de hele rijweg over schiet. Een achterop komende auto kan ons maar nauwelijks ontwijken. De bestuurster wijkt met piepende remmen uit naar de stoep aan de overkant van de weg.
‘Jezus, Felix,' zeg ik geschrokken. De teugels beven in mijn handen en mijn benen voelen als dropslierten. ‘Hebben wij geluk gehad. Zat jij bijna in de worst en was voor mij het einde ook aangebroken.

Top
Villa Hellebosch
5.11.07 > 3.12.07

Bookmark and Share Retour